๐–๐ˆ๐€โ€‘๐ฐ๐š๐œ๐ก๐ญ๐ญ๐ข๐ฃ๐๐ž๐ง, ๐ซ๐žโ€‘๐ข๐ง๐ญ๐ž๐ ๐ซ๐š๐ญ๐ข๐ž ๐ž๐ง ๐ฆ๐š๐œ๐ก๐ญ๐ฌ๐ฆ๐ข๐ฌ๐›๐ซ๐ฎ๐ข๐ค:
๐ก๐จ๐ž ๐”๐–๐• ๐ฎ๐ข๐ญ๐ฌ๐ญ๐ซ๐จ๐จ๐ฆ ๐›๐ฅ๐จ๐ค๐ค๐ž๐ž๐ซ๐ญ

De wachttijden binnen de WIA lopen opnieuw op. Dat is niet alleen een uitvoeringsvraagstuk, maar een direct gevolg van keuzes in inrichting en besluitvorming. In sommige regio’s bedraagt de wachttijd voor een eerste keuring inmiddels meer dan vijftien maanden, bovenop de wettelijke wachttijd van twee jaar. Formeel wordt dit verklaard met “capaciteitstekorten”. In de praktijk is echter een ander mechanisme zichtbaar: zelfs wanneer een verzekerde zélf een complete route naar werk organiseert, blijft een inhoudelijk besluit uit.

In mijn dossier ligt een volledig uitgewerkte uitstroomroute: een tweejarige leerโ€‘werkplek bij een advocatenkantoor, gekoppeld aan scholing. De werkgever staat klaar, de afspraken zijn schriftelijk vastgelegd en de route is tijdkritisch.


Toch volgt geen inhoudelijk besluit. In plaats daarvan verschuift de aandacht – via een externe partij, betaald met publieke middelen – naar mijn toon, houding, vermeende “kwetsbaarheid”, het moeten formuleren van “hulpvragen” en de boodschap dat je een adviseur niet “tegen de haren in moet strijken” als je medewerking wilt. De transcriptie van het telefoongesprek waarin dit letterlijk wordt gezegd, maakt onderdeel uit van het dossier.


Waar het juridisch op neerkomt: UWV heeft op grond van de WIA en artikel 30a van de Wet SUWI de taak om reโ€‘integratie te bevorderen en tijdig besluiten te nemen over inzet van instrumenten zoals scholing en trajecten richting werk. Die beslisplicht vloeit daarnaast voort uit de Algemene wet bestuursrecht. In mijn casus blijft zo’n inhoudelijk besluit uit en wordt de toegang tot een concreet reโ€‘integratietraject feitelijk afhankelijk gemaakt van mijn gedrag richting de uitvoering, niet van de wettelijke criteria zelf.


Daarmee verschuift ook het beoordelingskader. Niet langer staan vragen centraal als: welke route is passend, wat is wél mogelijk, wie is bevoegd om te beslissen en binnen welke termijn moet dat gebeuren. In plaats daarvan wordt de manier waarop de burger zich presenteert richting de uitvoerder doorslaggevend. Inhoudelijke besluitvorming wordt ingeruild voor gedragsframing.


Het gevolg is voorspelbaar. De uitkering loopt door, externe trajecten lopen door en een concrete kans op uitstroom dreigt te vervallen doordat een inhoudelijk besluit uitblijft. In een stelsel waarin de uitstroom naar werk al jaren zeer beperkt is en mensen nauwelijks uit de WIA terugkeren naar arbeid, blijven publieke middelen vastzitten, terwijl reële kansen op uitstroom niet worden gefaciliteerd maar feitelijk worden tegengehouden.


Tegelijkertijd ontstaat impliciet de boodschap dat er pas beweging mogelijk is wanneer een burger zich “kwetsbaarder” opstelt en extra “hulpvragen” formuleert. Daarmee ontstaat een systeem waarin niet de inhoud van het dossier leidend is, maar de mate waarin iemand zich conformeert aan de verwachtingen van de uitvoering. Dat is geen neutrale begeleiding, maar sturing op afhankelijkheid.


De beleidsmatige kernvraag is daarmee eenvoudig en scherp: waarom faciliteert dit stelsel geen uitstroom, zelfs niet wanneer die volledig is georganiseerd en door een werkgever wordt gedragen?


Zolang dit mechanisme niet wordt benoemd en gecorrigeerd, blijft voor veel mensen dezelfde boodschap overeind: de toegang tot de WIA is geregeld, maar uitstroom is afhankelijk gemaakt van onderwerping aan de logica van het loket, niet van de inhoud en de merites van de casus.


Over deze casus en de hier geschetste mechanismen is reeds contact gelegd met de Algemene Rekenkamer, die eerder al wees op ernstige tekortkomingen en blindheid voor signalen bij de uitvoering van WIAโ€‘uitkeringen door UWV.


Dit signaal verdwijnt niet onder de tafel.