๐๐๐ญ ๐ฅ๐๐๐ ๐ฐ๐๐ญ ๐๐จ๐ฌ๐ฌ๐ข๐๐ซ๐ญ๐๐๐ฅ ๐ก๐๐๐ญ
Dossier-taal is geen neutraal hulpmiddel. Het is een wapen.
En in de jeugdzorg wordt dat wapen opvallend vaak gebruikt alsof niemand ooit nog terugleest.
Neem zo’n eindbrief. Vol vaktermen waar de leek niet uitkomt. Niet omdat het “complex” is, maar omdat wolkentaal handig is. “Dynamiek”, “hechting”, “emotieregulatie”, “symbiose”, “risico’s”, “onderliggende problematiek”. Zinnen die klinken als wetenschap, maar vaak niets anders zijn dan een mening met een stempel.
En dan gebeurt het: een kind wordt geen kind meer, maar een dossier-identiteit. Een profiel. Een risicoplaatje. Een “casus” die zichzelf later gaat geloven.
Hoe voelt een kind zich als hij zwart-op-wit leest dat er “zorgen” zijn over wie hij mogelijk gaat worden? Dat je hem alvast als probleem in wording beschrijft? Dat is geen zorg. Dat is zelfbeeld-slijtage.
Maar er zit nog een laag onder. De laag die je zelden hardop hoort: Financiering. Die vaktermen leveren namelijk iets op. Ze zijn niet alleen taal, ze zijn toegang. Zonder label geen traject, zonder traject geen product,
zonder product geen uren en zonder uren geen geld.
Zo wordt “het gaat even niet” al snel “problematiek”, wordt gedrag een kader en twijfel een risico. Een kind wordt financierbaar gemaakt door hem te problematiseren.
In de GGZ Drenthe onderbouwt dossier-taal bekostiging. Bij Gemeente Hoogeveen CJG stuurt die taal beschikkingen en trajecten. Bij Veilig Thuis Drenthe vormt zij de basis voor registratie en ketenoverleg.
Eén woord “zorgelijk” kan een hele keten in beweging zetten, niet omdat het kind daarmee geholpen is, maar omdat het systeem daarmee kan draaien. De taal die bedoeld is om te begrijpen, wordt gebruikt om te legitimeren en te continueren.
Wolkentaal is handig, want je kunt er alles mee onderbouwen en niets mee bewijzen. Ondertussen betaalt het kind de prijs: schaamte, verwarring, wantrouwen en een identiteit gevormd door andermans zinnen.
Dossier schrijven is geen administratieve handeling. Schrijven is macht. Wie macht heeft, schrijft feiten en geen toekomstvoorspellingen. Observaties in plaats van etiketten, onderbouwing in plaats van suggestie.
Het zal je eigen kind maar zijn.
Schrijf alsof het kind later meeleest.
Want dat doet hij.
Als woorden vooral het systeem dienen en het kind schade oploopt, dan is het geen verslaglegging. Dan is het een tekstueel verdienmodel.