“๐๐ข๐ฃ ๐๐ž ๐‘๐š๐š๐ ๐ฏ๐จ๐จ๐ซ ๐๐ž ๐Š๐ข๐ง๐๐ž๐ซ๐›๐ž๐ฌ๐œ๐ก๐ž๐ซ๐ฆ๐ข๐ง๐  ๐ฌ๐ญ๐š๐š๐ญ ๐ก๐ž๐ญ ๐›๐ž๐ฅ๐š๐ง๐  ๐ฏ๐š๐ง ๐ก๐ž๐ญ ๐ค๐ข๐ง๐ ๐š๐ฅ๐ญ๐ข๐ฃ๐ ๐ฏ๐จ๐จ๐ซ๐จ๐ฉ.”


๐——๐—ฎ๐˜ ๐˜€๐—ผ๐—ผ๐—ฟ๐˜ ๐˜‡๐—ถ๐—ป๐—ป๐—ฒ๐—ป ๐—บ๐—ผ๐—ฒ๐˜ ๐—ท๐—ฒ ๐—ฎ๐—น๐˜€ ๐—ผ๐—ฟ๐—ด๐—ฎ๐—ป๐—ถ๐˜€๐—ฎ๐˜๐—ถ๐—ฒ ๐—ฎ๐—น๐—น๐—ฒ๐—ฒ๐—ป ๐—ป๐—ผ๐—ด ๐—ฑ๐˜‚๐—ฟ๐˜ƒ๐—ฒ๐—ป ๐—ผ๐—ฝ๐˜€๐—ฐ๐—ต๐—ฟ๐—ถ๐—ท๐˜ƒ๐—ฒ๐—ป ๐—ฎ๐—น๐˜€ ๐—ท๐—ฒ ๐˜๐—ผ๐˜๐—ฎ๐—ฎ๐—น ๐—ด๐—ฒ๐—ฒ๐—ป ๐—ดê๐—ป๐—ฒ ๐—บ๐—ฒ๐—ฒ๐—ฟ ๐—ธ๐—ฒ๐—ป๐˜.

Want achter die gladde vacaturetaal zit nog steeds dezelfde Raad die met minimale dossierkennis, maximale zelfoverschatting en een onthutsend gemak ingrijpt in levens van kinderen en ouders. Niet op basis van solide kennis, maar op basis van functie, toon en het automatische ontzag dat dit instituut zichzelf al jaren toekent.

Raadsonderzoekers strooien met diagnostische termen alsof zij daarvoor bevoegd én deskundig zijn. Gedragswetenschappers en juristen menen problematiek van ouders en kinderen te kunnen duiden zonder deugdelijk eigen onderzoek, zonder eigen waarneming en zichtbaar zonder te begrijpen wat zij nu eigenlijk inhoudelijk beweren. Zo ontstaat de bekende papieren werkelijkheid waarin een mening van een ambtenaar langzaam de status van medisch feit krijgt, simpelweg omdat zij vroeg genoeg in een dossier is beland.


Adviezen over OTS en UHP volgen vervolgens op een minimale hoeveelheid gesprekken, overdracht, oude stukken die allang niet meer dragend zijn en de vaste institutionele vanzelfsprekendheid dat wat de Raad opschrijft vanzelf gewicht heeft. Niet omdat het stevig is onderbouwd, maar omdat het van de Raad komt. Dat is geen zorgvuldigheid. Dat is geleend gezag met juridische gevolgen voor gezinnen die geen enkele ruimte hebben om onder dat oordeel uit te komen zodra het eenmaal op papier staat.


Het belang van het kind? De Raad weet zelf vaak niet eens wat dit inhoudt zodra die vraag verder reikt dan een slogan, een standaardzin of een voorspelbare zittingsformule.


Noem het liever wat het is: een overjarig bureaucratisch apparaat dat nog altijd denkt dat oppervlakkige observaties van derden, matige dossierkennis en veel bestuurlijke ernst genoeg zijn om diep in te grijpen in gezinslevens.


En op zitting wordt het vaak erger. Daar verschijnen raadsvertegenwoordigers die het dossier niet of nauwelijks kennen, maar wel menen dat zij iets moeten zeggen omdat zij er nu eenmaal zitten. Alsof aanwezigheid deskundigheid oplevert. Alsof toon een vervanging is voor kennis. Alsof gezag niet eerst verdiend maar simpelweg opgeëist hoeft te worden.


Ik vergeet nooit dat een raadsvertegenwoordiger in een gezagskwestie bloedserieus opmerkte: “misschien weet [ouder] niet wat het inhoudt”, waarna de rechter die vertegenwoordiger zélf moest corrigeren omdat uit het dossier allang bleek dat deze ouder ook bij eerdere OTS-verlengingen afwezig was, waar de Raad óók bij aanwezig was.


Daarmee is alles gezegd. Dossierkennis nul. Wel een grote mond en een adviesrol. Dat is dus de kwaliteit waaraan gezinnen worden overgeleverd.


Maar blijf vooral praten over “impact maken”.


Want zodra iemand het dossier echt leest, blijft er van die hele bestuurlijke pose weinig meer over dan oude stukken, geleende taal en grote conclusies op een fundament dat het niet draagt.

Dat is de Raad.

 

๐Ž๐…๐… ๐˜๐Ž๐” ๐†๐Ž!